Broer

(soms schrijf ik)

Wanneer hij loopt, fiets ik. Meestal nietszeggend naast elkaar.
De enige woorden die we delen zijn “Pas op, een steen!” of “Verdorie, ik heb weer een vlieg ingeslikt”. Zo gaat dat.

De wegen zijn niet altijd gemakkelijk, maar zeker even mooi. In mijn hoofd passeren wel duizend vragen die ik hem zou kunnen stellen.
In plaats daarvan kies ik ervoor om rond te kijken, hem in te halen of hem ver voor mij uit te zien rennen.

Ik heb er zo drie. Drie ambetanteriken, pestkoppen, onnozelaars.
Een ervan is nog te klein om de voorgaande dingen te zijn. Maar als hij een beetje lijkt op de andere. Dan weet ik wat komen zal.

Gelukkig.

Het zijn zij die mijn rommelige dagen nog rommeliger maken.
Zodat alles plots terug op zijn plaats valt en alles weer op orde staat.